Op 2 oktober 2020 zijn bij de raadsgriffie vragen binnen gekomen van mevrouw Margriet Visser-Voorn van de fractie Enschede Anders, de heer Jan Willem Elferink van de PVV, mevrouw Annelies Futselaar van de SP en de heer Erwin Versteeg van de Groep Versteeg gericht aan de voorzitter van de Raad op grond van ex artikel 35 van het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de Raad. Het college van Burgemeester en Wethouders beantwoordt de vragen als volgt.

Even een opmerking vooraf. De inleiding en toelichting op de vragen zijn soms wat uitgebreid. Dit om iedereen mee te kunnen nemen in de casus. De naam van de heer Ardesch mag met zijn toestemming openbaar zijn.

Sinds ruim een jaar zijn meerdere raadsleden op zoek naar informatie en verklaringen rond de casus van de heer Ardesch.

Wij hebben vanaf het begin aangegeven dat wij dit doen om feitelijkheden achteraf te controleren en omdat de informatie die wij ontvangen over dit dossier, ons grote zorgen baart als het gaat over het feit of hier sprake is van Goed Bestuur en of de gemeente hierbij wel de basis op orde heeft.

De raadsfracties EnschedeAnders, PVV, SP en Groep Versteeg zijn van mening dat dit dossier veel vragen oproept. Wij zijn dan ook van mening dat het advies van de toenmalige klachtencommissaris om te komen tot een onafhankelijk feitenonderzoek bijzonder waardevol is en indien destijds was nagekomen, heel veel escalatie voorkomen had. Wij zijn van mening dat zo’n feitenonderzoek nog steeds van groot belang is.

De genoemde raadsfracties hebben, op advies van de griffier, in goede afstemming met de gemeentesecretaris en nadat het vonnis van de rechter definitief was geworden, op grond van ons recht op ambtelijke bijstand lange tijd getracht om een helder en compleet beeld te vormen van de feiten in dit dossier. In het bijzonder de beslissingen van de gemeente in de richting van de heer Ardesch.

Ondanks meerdere pogingen waaronder expliciete vragen naar documenten in het dossier, waarvan eerder gesteld is dat deze er zijn, hebben wij nauwelijks inzage in en afschriften van het betreffende dossier mogen ontvangen.

Wij hebben moeten concluderen dat er op veel gestelde vragen geen antwoord werd of kon worden gegeven. Dat in de bijeenkomst in november 2019 aangegeven werd dat er een mail aanwezig zou zijn, waarin de heer Ardesch afzag van een onafhankelijk juridisch feitenonderzoek. De toezegging werd gedaan dat de raadsfracties de mail konden ontvangen. Helaas is de mail, ook na herhaaldelijk opvragen, nog steeds niet overlegd…

Verder bleek uit de ambtelijke bijstand en dat vinden wij minstens zo onthutsend, dat het (bestuurlijk) dossier niet compleet is, niet conform de voorschriften is bijgehouden en niet goed ( niet compleet) is gearchiveerd. Alleen al het feit dat ons is gebleken dat het gemeentelijk dossier sinds 2017 feitelijk door de gemeenteadvocaat wordt bijgehouden als procesdossier en er dus geen dossier meer in de organisatie wordt bijgehouden is zeer “verwonderlijk”.

De raadsfracties kregen steeds te horen dat zij niet het procesdossier mochten inzien. Uiteindelijk mogen de raadsfracties onder geheimhouding en in aanwezigheid van de gemeenteadvocaat het procesdossier wel inzien. Maar wij vragen ons af: hoeveel van het dossier is nog geheim, gezien er al over de casus van Ardesch is gepubliceerd en de media waarschijnlijk veel stukken in hun bezit hebben.

Al met al moeten wij ook constateren dat het instrument van ambtelijke bijstand grenzen kent waar het raakt aan bestuurlijke verantwoordelijkheid. Om die redenen kiezen de raadsfracties voor het stellen van artikel 35 vragen.

Vraag 1.
De toenmalige klachtencommissaris heeft in april 2017 op basis van de toen geldende verordening een “advies” uitgebracht dat in deze kwestie een onafhankelijk feitenonderzoek uitgevoerd zou moeten worden. Zij had geen “advies” moeten geven, want zij had mandaat van de raad om klachten zelfstandig af te doen. Waarschijnlijk heeft de toenmalige klachtencommissaris gedacht, (haar functie viel inmiddels onder het college per 10 april 2017) dat de nieuwe verordening , gelijktijdig met het aannemen van het raadsvoorstel waarbij de klachtencommissaris onder de verantwoordelijkheid van het college ging vallen was gepubliceerd. Dat was echter niet het geval, maar pas op 13 oktober 2017. Het onafhankelijk feitenonderzoek had er moeten komen, het “advies” was namelijk geen “advies” maar gezien de feitelijk geldende verordening een besluit.

Waarom heeft het college dit besluit bij nader inzien niet herzien en alsnog een onafhankelijk feitenonderzoek laten uitvoeren?

Antwoord
Het college neemt afstand van de geschetste situatie in de inleiding bij de vraag. Navraag bij de klachtencommissaris leerde dat de gestelde uitgangspunten onjuist zijn. Zie bij vraag 7 voor verdere toelichting.

In het proces is in een vroegtijdig moment tussen partijen afgesproken geen feitenonderzoek te doen. Aangezien werd geconstateerd dat het puur om een financieel dispuut ging en de biedingen van partijen ver uit elkaar lagen, leek een onderzoek naar de feiten weinig zinvol. De gemeente achtte een formeel juridische beoordeling van de situatie zinvoller. Die heeft ten aanzien van het geschil met Wellinga ook plaatsgevonden middels een rechtsgang en een uitspraak van de rechter in deze.

Aanvullende vraag:
Aangezien vraag 7 niets heeft te maken met de inleiding van vraag 1, kan het college niet zeggen dat de geschetste inleiding onjuist is. De nieuwe verordening is niet zoals iedereen aannam in april 2017 gepubliceerd, maar pas een half jaar later op 13 oktober 2017.Het mandaat van 3 maart 2020 is totaal iets anders dan bedoeld wordt in onze inleiding. De huidige klachtencommissaris geeft advies aan het college en heeft geen mandaat om klachten zelfstandig af te doen.

  1. Graag ontvangen wij de vraagstelling aan de KC en de beantwoording van de KC waarop u baseert waarom de uitgangspunten onjuist zijn?
  2. Aan welke klachtencommissaris is de vraag gesteld, de huidige of haar voorganger? En wanneer?

Vraag 2.
In de afgelopen maanden is ons de vragenstellers bij herhaling voorgehouden dat de heer Ardesch expliciet heeft afgezien van een onafhankelijk feitenonderzoek en dat daarvan een mail aanwezig is. Ons is de toezegging gedaan dat de raadsleden dit mailbericht zouden ontvangen.

Waarom heeft het college tot nu toe ondanks herhaaldelijk verzoek, het desbetreffende mailbericht van of namens de heer Ardesch niet doen toekomen aan de raadsleden?

Antwoord
Ten aanzien van het uitgangspunt voor deze vraag is relevant dat bij het ambtelijk overleg is aangegeven, dat er een mail is waaruit blijkt dat de heer Ardesch zelf af zag van het onafhankelijk feitenonderzoek (niet: onafhankelijk juridisch feitenonderzoek). De aanname dat dit een mail van of namens de heer Ardesch zou zijn is onjuist. Het gaat om de mail van 8 juni 2017 van Rene van Kuilenburg aan de heer Ardesch. In deze mail worden de afspraken bevestigd die telefonisch zijn gemaakt op 7 juni 2017 tussen Van Kuilenburg en Ardesch. Onderdeel van die afspraken was dat er werd afgezien van het onafhankelijk feitenonderzoek omdat dit qua tempo en qua tegemoetkoming aan ieders belangen onvoldoende adequaat werd geacht door Ardesch.

In antwoord op vraag 2 is dus van belang dat de door de raadsleden gevraagde mail niet bestaat. Om die reden kan deze mail ook niet worden overlegd.

De mail van 8 juni 2017 van René van Kuilenburg aan Ardesch is in december 2019 aan de heer Elferink vertrouwelijk ter inzage gegeven op de griffie van de gemeente. Deze is ook gedeeld in het overleg op 17 juni j.l..

Antwoord
In de bijeenkomst in november 2019 werd aangegeven dat er een mail was van de heer Ardesch waarin hij expliciet afzag van een onafhankelijk onderzoek. Dit is geen aanname van de raadsfracties, dit is gezegd in de bijeenkomst. Nu geeft het college in haar beantwoording aan dat de mail van Rene van Kuilenburg de bewuste mail is. Een heel ander verhaal dan dat de aanwezige raadsleden hebben gehoord!

  1. Waarom gaat het college ervan uit dat de gestuurde mail van Van Kuilenburg d.d. 8 juni 2017 om 21.18 uur het bewijs is van de gemaakte afspraak t.a.v. het afzien van Ardesch inzake het onafhankelijke onderzoek?
  2. Waar staat in deze mail dat de heer Ardesch akkoord gaat met het afzien van het onafhankelijk feitenonderzoek?
  3. Waarom is de vastlegging van zo’n essentieel punt niet opgenomen? Zelfs niet in het procesdossier?

Zie onderstaande mail, wegens  privacy zijn alleen de naam (namen) van de heer Ardesch  en de heer Kuilenberg zichtbaar.

Van:
Verzonden: donderdag 8 juni 2017 10:53
Aan:
CC:  >; Gert-Jan Ardesch

Amica,
Ik heb daar in dit geval geen probleem mee. Aan deze zijde bemerken wij dat er geen eenduidige signalen vanuit de gemeente komen. Daar kunt u niets aan doen, want u krijgt kennelijk informatie van andere personen, dan van de personen die Ardesch spreekt. Ardesch kan u precies vertellen wat er door wie tegen hem is gezegd. Hopelijk is er dan geen ruis mee op de lijn.

Het is wel van belang dat er op korte termijn duidelijkheid komt. Of partijen schikken de zaken, of het door de klachtenfunctionaris bevolen onafhankelijke onderzoek zal moeten worden uitgevoerd.

Ik ga er van uit dat u mij informeert voordat er definitieve afspraken worden gemaakt.

Met vriendelijke groet,

Bovenstaande mail is verstuurd ’s morgens om 10.53 uur. Expliciet wordt aangegeven door de advocaat van de heer Ardesch of partijen schikken of het door de klachtenfunctionaris bevolen onafhankelijk onderzoek zal moeten worden uitgevoerd.

 

Laat op de avonds komt de mail van vanuit de gemeente om 21.18 uur, ( zie onderstaande mail)  (wegens privacy naam cc weggelaten).

 

Van: Kuilenburg, R. van (ENS-DIR)
Verzonden: donderdag 8 juni 2017 21:18
Aan:
CC:  >
Onderwerp: Status update

 

Geachte meneer Ardesch, beste Gertjan,

Gisterochtend spraken wij elkaar telefonisch. U vond dat het traject om naar aanleiding van het advies van de klachtencommissaris te komen tot een minnelijke schikking, niet adequaat verloopt. Niet qua tempo en niet qua tegemoetkoming van elkaars belangen.

Wij spraken af dat een aantal overwegingen uwerzijds door U per mail aan mij zouden worden aangereikt opdat ik daarmee rekening kon houden bij het zoeken naar een onderling vergelijk. U hebt die documenten verzonden. Ik heb ze doorgenomen en doorgeleid naar…

Tevens spraken we af dat ik- in het licht van deze informatie – deze week met een voorstel zou komen om een vergelijk snel tot stand te laten komen. Dat voorstel hebt u heden ontvangen van ….

Tenslotte gaf ik aan dat het traject om te komen tot een minnelijke schikking die het goede evenwicht zou vinden tussen uw belang en dat van de gemeente Enschede met inbegrip van de bejegening van de gemeente jegens U, ik ervan uit ga dat we er met samen schikken uitkomen. Zo niet, dan acht ik de initiële route van de Klachtencommissaris niet meer opportuun en leggen we als gemeente de casus voor aan de onafhankelijke rechter.

Wellicht ten overvloede is deze lijn zowel met ….als met de betrokken bestuurder gedeeld.

Met vriendelijke groeten,
Rene van Kuilenburg, directeur
Verstuurd vanaf mijn iPad

Antwoord
Uit de mails komt het beeld naar voren, dat de gemeente eenzijdig heeft besloten om geen onafhankelijk feitenonderzoek uit te voeren.

  1. Aangezien in een mailwisseling ook wordt aangegeven dat de betrokken bestuurder graag duidelijkheid wil hebben over de feiten, waarom is het besluit van de vorige klachtencommissaris niet opgevolgd?

Vraag 3.
In het afgelopen anderhalf jaar is meermaals gesteld dat het niet aan de raad is om zich actief te bemoeien met de kwestie Ardesch. Er wordt hier gewezen op het feit dat het om een zakelijk conflict zou gaan en dat de raad dan geen controlerende rol heeft. Maar ook dat het hier om een individuele kwestie gaat. En dat de raad zich niet hoort te bemoeien met individuele casuïstiek. De raadsfracties zijn het daar principieel mee oneens! Zelfs de wetgever hecht aan het recht van de individuele volksvertegenwoordiger, belangenbehartiger om burgers bij te staan blijkt wel uit het volgende citaat, uit de memo Individuele casuïstiek van 4 december 2017:

“Overigens heeft de bepaling (bedoeld wordt art.15 eerste lid gemeentewet) geen betrekking op situaties waarin burgers die bezwaar hebben tegen beslissingen of gedragingen van het college van B&W of de burgemeester, zich wenden tot leden van de raad ten einde advies en hulp te krijgen. Het behoort tot de specifieke taak van raadsleden, burgers in deze bij te staan of het college van B&W of burgemeester ter verantwoording te roepen.”

Als de wetgever bovenstaand standpunt huldigt, waarom zouden dan de hierboven beschreven argumenten van het college, steekhoudend en rechtmatig zijn in de zaak Ardesch

Antwoord
Deze zaak betreft niet zozeer het vraagstuk van verboden handelingen (artikel 15 Gemeentewet) maar meer die van de wijze waarop en tot welke omvang het college de Raad actief informeert in het kader van diens taken. De uitgangspunten uit de gemeentelijke memo

 

  • 4 december 2017 onderstrepen wij nog steeds. Het college controleren en een inwoner advies te geven zijn immers geen verboden handelingen. Het gaat ons meer om de balans in informatievraag en voorziening. Zoals wij ook hebben opgenomen in onze Nota invulling actieve informatieplicht d.d. 13 maart 2018. De Raad heeft recht op informatie die de Raad nodig heeft voor zijn taken. Het betreft een open norm. Het college stelt zich op het standpunt dat informatie over casuïstiek (rechtszaken) de Raad niet direct nodig heeft voor diens controlerende of kaderstellende taak (strategie, planning, control, wetgeving) en het ook niet wenselijk is dat het bestuurlijk verkeer en een privaatrechtelijk geschil hier teveel door elkaar gaan lopen (rolzuiverheid).Wat helaas niet in het genoemde citaat door de vragensteller wordt meegenomen is de vervolgtoelichting van de wetgever “Indien een burger eenmaal zijn geschil heeft voorgelegd aan een rechtelijke of beroepsinstantie, kan verdere bijstand door raadsleden aan burgers de goede verhoudingen binnen de gemeente licht verstoren en als een verboden werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van de gemeente in een geschil worden beschouwd’’. Komt bij dat casuïstiek gepaard gaat met het vraagstuk bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer. Dat vraagt prudentie van ons allen. Informatie over casuïstiek verstrekt het college dan ook met grote terughoudendheid (en bij voorkeur mondeling en in een besloten setting). Alleen de Raad beslist uiteindelijk wat nodig is.

 

Aanvullende opmerking / vraag

Aangezien de raadsfracties zich niet hebben bemoeid met deze casus toen deze casus nog onder de rechter lag, voegt de vervolgtoelichting in het genoemde citaat weinig toe volgens ons.
Wat wel essentieel is, is dat het college aangeeft dat bij casuïstiek het vraagstuk bescherming persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer gepaard gaat.(zie onderstaand)

”Indien een burger eenmaal zijn geschil heeft voorgelegd aan een rechtelijke of beroepsinstantie, kan verdere bijstand door raadsleden aan burgers de goede verhoudingen binnen de gemeente licht verstoren en als een verboden werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van de gemeente in een geschil van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer”

Dat vraagt prudentie van ons allen. Informatie over casuïstiek verstrekt het college dan ook met grote terughoudendheid (en bij voorkeur mondeling en in een besloten setting). Alleen de Raad beslist uiteindelijk wat nodig is.

  1. Aangezien de raadsfracties van alles hebben geprobeerd om de informatie boven tafel te krijgen, komt die informatie maar mondjesmaat of kan het college de informatie niet aanleveren.

Wat is de reden dat het college zo slecht met informatie kan komen als uiteindelijk de raad beslist wat zij nodig heeft?

Vraag 4.
Het college is op grond van art 160 gemeentewet bevoegd om namens de gemeente privaatrechtelijke handelingen te verrichten en ook namens de gemeente rechtsgedingen te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten. Wij hebben in de afgelopen maanden regelmatig gehoord van mailwisselingen, telefoongesprekken, informele overleggen, afstemming tussen ambtenaren en bestuurder(s), gesprekken met (vertegenwoordiger van) de heer Ardesch en vertegenwoordiging in deze kwestie van de gemeente door onze gemeenteadvocaat. Voor de verantwoording naar de raad achten wij het van groot belang dat wij kennis kunnen nemen van de bestuurlijke besluiten van het college in dit dossier en de onderliggende motieven.

Wanneer zijn er op welke onderdelen van dit dossier en op welke momenten daadwerkelijk besluiten genomen door het college en op welke agenda’s en besluitenlijsten kunnen wij dit terugvinden?

Antwoord
Het College oefent de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen niet rechtstreeks en zelf uit, maar heeft deze bevoegdheid in mandaat gegeven aan de verschillende afdelingen van de gemeente, zoals aan het Vastgoedbedrijf. In bepaalde gevallen worden de niet standaard privaatrechtelijke rechtshandelingen aangegaan op de voorwaarde van het besluit van het College tot instemming met die rechtshandeling. Daarnaast heeft het College bevoegdheid om in bepaalde gevallen een juridische procedure te starten in mandaat gegeven aan de gemeenteadvocaat. Het College heeft geen besluiten genomen in dit dossier over:

 

  • De huurovereenkomst met Wellinga Printsystemen B.V.;
  • De correspondentie over en het voeren van overleg met Wellinga Printsystemen B.V. naar aanleiding van de ontstane huurachterstanden;
  • Het inschakelen van een deurwaarder toen de huurachterstand van Wellinga Printsystemen B.V. structureel bleek;
  • Het starten van een juridische procedure tegen Wellinga Printsystemen B.V. om betaling van achterstallige huur te verkrijgen;
  • Het uitvoeren van het veroordelend vonnis van de Rechtbank tegen Wellinga Printsystemen B.V.Aanvullende constatering en vraag.
  1. Bovenstaande vraag wordt niet beantwoord. Er worden voorbeelden gegeven van besluiten die niet door het college zijn genomen. De raadsfracties vragen op welke momenten daadwerkelijk besluiten zijn genomen door het college en op welke agenda’s en besluitenlijsten wij dit terug kunnen vinden.

Graag alsnog beantwoording.

Vraag 5.
Hierboven hebben wij al gesteld dat het bestuurlijk dossier niet in orde is. Een eenvoudige inzage kan niet gegeven worden, er is niet conform de richtlijnen gearchiveerd. Wel ligt er bij de gemeenteadvocaat een procesdossier. Of daar alle stukken inzitten blijft voor ons een vraag. Wel is expliciet gevraagd of de mail waarin Ardesch afziet van een feitenonderzoek in het procesdossier aanwezig is? De mail is niet aanwezig in het dossier… In het recente verleden is de gemeente meerdere keren door de inspecteur van de Archiefwet gewezen op gebreken in de kwaliteit van de archivering. Het IBT (interbestuurlijk toezicht) heeft op dit punt de code rood opgeleverd. Wij menen dat je als de gemeente zelf de basis in deze zin niet op orde heeft, maar wel rechtszaken voert tegen individuele burgers en ondernemers, er sprake is van meten met twee maten

Wat zijn de oorzaken dat het bedoelde dossier van de heer Ardesch niet op orde is?

Antwoord
Genoemde mail bestaat niet. Zie ook antwoord op vraag 2.

Aanvullende vraag.

 Vraag 5 wordt niet beantwoord. College gaat alleen in op de betreffende mail. Vraag is:

  1. Nogmaals wat zijn de oorzaken dat het bedoelde dossier van de heer Ardesch niet op orde is?

Graag alsnog onderbouwde beantwoording.

 Waarom is er niet conform wettelijke vereisten gearchiveerd?
In hoeverre raakt dit aan de eerdere kritiek van de archiefinspecteur en de opdracht om een inhaalslag te maken?

Antwoord
de archiefinspecteur heeft verbetersuggesties verstrekt over het kwaliteitssysteem rond archivering en de fysieke opslag. Dit heeft dus geen betrekking op deze casus.

Aanvullend vraag.
De genoemde raadsfracties hebben inzage gehad in het bestuurlijk dossier van de heer Ardesch. Essentiele schriftelijke communicatie beschikbaar gesteld door de heer Ardesch bleek niet in het dossier te zijn opgenomen. Deze informatie is van groot belang in deze casus. De wettelijke bewaringseis is 20 jaar. Voor andere zaken die niet gekoppeld worden aan het burgerdossier is de eis 5 jaar. Van iedere mail is de gemeente verplicht een kopie te maken en te bewaren, dit ook 20 jaar. Zelfs alle interne gemeentelijke communicatie dient op deze wijze van 20 jaar bewaard te blijven.

  1. Waarom beweert het college dat dit geen betrekking heeft op deze casus en waarom kan het college alle interne communicatie niet laten zien?

Hoe kan het dat de gemeente zelf haar dossier niet op orde heeft, maar toch een rechtszaak is begonnen tegen de heer Ardesch?

Antwoord
Het procesdossier was wel degelijk op orde en op basis van dit dossier is de procedure gestart. In deze procedure is de gemeente overigens grotendeels in het gelijk gesteld. Indien het dossier niet op orde was geweest, dan was de rechtbank ongetwijfeld tot een ander oordeel gekomen

Aanvullende informatie en vraagstelling.

  1. Waarom is het bestuurlijk dossier dan niet op orde?
  2. Op welke uitgangspunten baseert u de constatering dat de gemeente grotendeels in het gelijk is gesteld?
  3. Wat is voor het college “grotendeels” als uitgangspositie?

Waarom geeft het college aan dat er een mail is van de heer Ardesch waarin hij afziet van een onafhankelijk feitenonderzoek? Dit terwijl verschillende mails bij de gemeente bekend zijn, zie onderstaand, waar klip en klaar wordt aangegeven: of partijen schikken of het onafhankelijk onderzoek wordt uitgevoerd. Wegens de AVG zijn namen (behalve Ardesch) in onderstaande mail weggelaten.

 

Van:
Verzonden: donderdag 8 juni 2017 10:53
Aan:
CC:  >; Gert-Jan Ardesch

Amica,

Ik heb daar in dit geval geen probleem mee. Aan deze zijde bemerken wij dat er geen eenduidige signalen vanuit de gemeente komen. Daar kunt u niets aan doen, want u krijgt kennelijk informatie van andere personen, dan van de personen die Ardesch spreekt. Ardesch kan u precies vertellen wat er door wie tegen hem is gezegd. Hopelijk is er dan geen ruis mee op de lijn.

Het is wel van belang dat er op korte termijn duidelijkheid komt. Of partijen schikken de zaken, of het door de klachtenfunctionaris bevolen onafhankelijke onderzoek zal moeten worden uitgevoerd.

Ik ga er van uit dat u mij informeert voordat er definitieve afspraken worden gemaakt.

Met vriendelijke groet,

Antwoord
Zie hiervoor het antwoord onder 2. Uit de door u toegevoegde mail blijkt dat de heer Ardesch de afspraak met Van Kuilenburg niet (juist) heeft gecommuniceerd met zijn advocaat

Aanvullende vraag:

  1. Hoe komt het college tot de aanname dat de heer Ardesch niet (juist) heeft gecommuniceerd met zijn advocaat, terwijl de advocaat van de heer Ardesch duidelijk aangeeft, dat hij er vanuit gaat dat hij geïnformeerd wordt voordat er definitieve afspraken worden gemaakt?
  2. Hoe verklaart u de mail van Van Kuilenburg zonder akkoordverklaring van de heer Ardesch die op een later tijdstip is binnengekomen dan de mail van de advocaat van de heer Ardesch?
  3. Indien er een akkoordverklaring aanwezig is, ontvangen de raadsfracties die graag.

Vraag 6.
In de brief van 22 juni 2018 vraagt de Nationale Ombudsman om een gemeentelijke reactie naar aanleiding van de klacht van de heer Ardesch, waarom de gemeente het “advies” voor een onafhankelijk feitenonderzoek niet wil opvolgen. In eerste instantie is de brief met vragen van de Nationale Ombudsman “zoek” geraakt. Maanden later na herhaald aandringen van de Ombudsman wordt de brief pas op 1 oktober 2018 beantwoord door de gemeente. In die brief geeft de gemeente aan dat als het minnelijk traject niet slaagt, alleen de gerechtelijke procedure zou resteren en dat de heer Ardesch daarmee akkoord is gegaan…

Waarom schrijft het college aan de Nationale Ombudsman dat de heer Ardesch akkoord gaat met een gerechtelijke procedure, terwijl er verschillende mails liggen van de advocaat van de heer Ardesch die het tegendeel bewijzen, namelijk : of de partijen schikken de zaken of het door het klachtencommissaris bevolen onafhankelijk onderzoek moet worden uitgevoerd.

Graag ontvangen wij het bewijs dat de heer Ardesch akkoord ging met een gerechtelijke procedure.

Antwoord
Zie hiervoor de beantwoording van de vragen 2 en 5. Uit de mail van de advocaat van Ardesch van 8 juni 2017 blijkt dat hij onvoldoende op de hoogte was van de afspraken tussen Ardesch en Van Kuilenburg. Uit volgende mails van de advocaat blijkt dat Ardesch op een later moment (toen duidelijk werd dat de onderhandelingen niet tot een oplossing hadden geleid), alsnog een onafhankelijk feitenonderzoek wenste. Vanzelfsprekend bepleit een advocaat datgene wat zijn cliënt wenst. Dit was echter niet conform de afspraak van 7 juni 2017. Er is ook correspondentie van de gemeente-advocaat die het tegendeel bewijst. Uit de minnelijke onderhandeling bleek dat partijen (financieel) ver uit elkaar lagen. Om die reden is er voor gekozen om de gerechtelijke procedure te continueren zodat de rechter (als zijnde een onafhankelijke partij) een oordeel kon geven over de kwestie. Dit was conform de afspraken van 7 juni 2017. Ook de heer Ardesch heeft hier dus mee ingestemd. Dit volgt uit de email van Van Kuilenburg van 8 juni 2017.

Aanvullende vraag:

Beantwoording van de vragen 2 en 5 geven geen hard bewijs dat de heer Ardesch afziet van een onafhankelijk feitenonderzoek.

  1. Ook hier weer, de raadsfracties ontvangen graag het harde bewijs dat de heer Ardesch akkoord ging met het afzien van de onafhankelijk onderzoek?

Aanvullende vraag.

  1. Waarom stelt het college dat de heer Ardesch achteraf heeft aangedrongen op een onafhankelijk onderzoek terwijl vooraf deze voorwaarden duidelijk gesteld zijn?
  2. Is het college op de hoogte van het feit, dat de mail van Van Kuilenburg na het schikkingsvoorstel is gestuurd?

Vraag 7. Op 13 februari 2020 heeft de heer Ardesch een brief gestuurd naar B&W. Die brief is door de huidige klachtencommissaris op 3 maart 2020 afgedaan en niet door het college. De huidige klachtencommissaris heeft geen mandaat om brieven en klachten gericht aan het college zelfstandig af te doen.

Wat maakt dat de huidige klachtencommissaris toch zelfstandig de brief heeft afgedaan die gericht was aan het college?

Antwoord

De klachtencommissaris heeft bij collegebesluit van 3 maart 2020 mandaat verkregen om de brief te versturen.

Aanvullende vraag.

Citaat brief KC d.d. 3 maart 2020.

“Klachtafhandeling gebeurt bij de gemeente Enschede echter onder verantwoordelijkheid van de klachtencommissaris, vandaar dat u het antwoord op uw brief van 13 februari jl. van mij ontvangt.”

  1. Waarom is er op 3 maart 2020 mandaat gegeven aan de KC door B&W terwijl de KC volgens de klachtenverordening een adviesrol heeft en volgens het mandaatbesluit ligt het mandaat voor het besluit op klachten bij het college.
  2. Graag ontvangen de raadsfractie het mandaatbesluit van 3 maart 2020.
  3. Wanneer is dit mandaatbesluit gepubliceerd?
  4. Waarom is het schrijven van de KC niet ondertekend met namens Burgemeester en Wethouders gezien de mandaatverlening?

Waarom hebben B&W de brief zoals het hoort niet zelf afgedaan

Antwoord
Het college heeft bij besluit van 3 maart 2020 besloten om de klachtencommissaris mandaat te verlenen het collegebesluit (klacht niet ontvankelijk) tot uitvoering te brengen.

Aanvullende vraag:

  1. Bovenstaande vraag wordt niet beantwoord. De vraag is: Waarom hebben B&W de brief zoals het hoort niet zelf afgedaan?

De voormalige klachtencommissaris heeft de klacht, ondanks het zakelijk conflict, in behandeling genomen en waarom geeft de huidige klachtencommissaris aan dat niet te willen? Wat is het verschil?

Antwoord
De voormalige klachtencommissaris heeft middels een snelle interventie (partijen om tafel, bieden van een luisterend oor) getracht een bijdrage te leveren aan oplossing voor het conflict. Na haar interventie en advies een onafhankelijk feitenonderzoek te laten doen naar de basis van het conflict is de klachtbehandeling beëindigd. Ook heeft zij verzoeker destijds aangeven dat inhoudelijke klachtbehandeling gedurende een juridisch proces – over dezelfde kwesties – geen wenselijk traject is.

De huidige klachtencommissaris heeft inhoudelijke klachtbehandeling niet plaats laten vinden omdat er sprake is van een juridisch dispuut is en er een juridisch traject liep. Na het indienen van een klacht hierover door verzoeker bij de Nationale ombudsman heeft de Nationale ombudsman klachtbehandeling ook beëindigd omdat de kern van de zaak een zakelijk conflict is tussen twee partijen waar de civiele rechter over oordeelt.

Aanvullende vragen:

  1. Waarom is de gemeente een rechtszaak begonnen terwijl een ingediende klacht bij de KC actief was?
  2. Waarom gaat de KC uit van een juridische procedure bij het afwijzen van het verzoek in 2018 terwijl dit voor SteQ niet van toepassing was?
  3. Waarom heeft de gemeente de Nationale Ombudsman medegedeeld dat het om een juridisch conflict ging terwijl dat voor SteQ niet van toepassing was?

 

Afrondend:
Op dit moment spelen er spanningen tussen het Diaconaal Platform Enschede en het college van B&W van Enschede. Het Diaconaal Platform Enschede stelt  dat het niet alleen gaat om de vraag of de gemeente juridisch juist handelt, maar ook of de handelswijze ethisch is. Als we de casus van de heer Ardesch bekijken, zou deze casus een voorbeeld kunnen zijn van niet ethisch handelen.

De KC viel namelijk onder de raad en het “advies” om een juridisch onafhankelijk feitenonderzoek had uitgevoerd moeten worden. Het “advies was namelijk geen advies, maar gezien de feitelijk geldende verordening een besluit!

  1. Is het college bereid om op ethische gronden tot een herziening over te gaan en alsnog een feitenonderzoek uit te voeren in de casus van de heer Ardesch?

Enschede, 27 oktober 2020

 

Burgemeester en Wethouders van Enschede,
De loco-Secretaris,                de loco-Burgemeester,
E.A. Smit                                  van den Berg