En dan valt het toch op zijn plaats
Onderstaand stond al in ons conceptverkiezingsprogramma:
“De dossiers die we – ondanks dat de raad van 2022–2026 er deels mee klaar meent te zijn – blijven oppakken zijn:
• huishoudelijke hulp
• de menselijke maat
• rapport ‘veel aanvragers’
• orde op zaken in het stadhuis
Daarnaast willen we dat de zaak-Ardesch wordt afgehandeld en zetten we in op een onafhankelijker klachtencommissariaat.”
Maar voordat we daar straks mee verdergaan, eerst de actualiteit. Want die bepaalt waarom ik uiteindelijk besloot: ik moet dit doen.
Hoe staan we ervoor?
Laat ik beginnen met wat goed gaat: we hebben uitstekende kandidaten voor de gemeenteraadsverkiezingen. Daarnaast zijn er mensen die wél betrokken zijn bij onze partij, maar om uiteenlopende redenen niet op de kieslijst willen.
Aan kwaliteit ligt het niet.
Samenwerken met andere partijen was dan ook nooit een noodzaak — ook niet met nieuwe afsplitsingen. Maar politiek is een ingewikkeld vak, en samenwerking gaat niet vanzelf.
Die constatering, gecombineerd met de uitslag van de landelijke verkiezingen, maakte dat ik even twijfelde: moet ik nog wel doorgaan?
Tot ik de raadsvergadering van 24 november volgde. Toen wist ik het zeker: ja, ik moet.
Want er gebeurd al jaren niets
Het gaat veel verder dan het bekende verhaal van macht en tegenmacht.
Al in de inwerkperiode van de nieuwe raad in 2018 zijn raadsleden simpelweg belazerd.
Het GITP-rapport is — zo zie ik het nu — doelbewust weggemoffeld. Er is misbruik gemaakt van de onervarenheid van nieuwe raadsleden en fractievoorzitters.
Het resultaat? Het rapport werd “democratisch” geheim verklaard.
Een inmiddels bekende Enschedese bestuursstijl:
achter gesloten deuren vergaderen, informatie strak controleren, en problemen uit de openbaarheid houden.
Het moet anders: ramen en deuren open
Er is geen nieuw beleidsplan nodig. Geen glossy visie.
Wat nodig is, is een cultuuromslag — zowel politiek als ambtelijk.
Niet vanuit bezuinigen. Bij ons staat de mens centraal, niet de mens als economische rekeneenheid.
Maar zo’n cultuuromslag levert wél op:
- minder kosten
- betere dienstverlening
- een overheid die doet wat ze zegt
- herstel van wederzijds vertrouwen
Wie bestuurlijke verandering wil, moet binnen de huidige spelregels andere keuzes durven maken.
En dat gaat niet in één raadsperiode.
Dat vraagt om samenwerking met de samenleving, om vertrouwen geven én krijgen, en om een organisatie die bestuurd wordt door het gekozen bestuur — niet door een klein clubje topambtenaren.
Een wethouder moet functioneren als een ondernemer
Niet omdat hij alles hoeft te weten — dat hoeft een goede ondernemer ook niet. Zijn taak is: richting geven.
In de gemeente werkt dat precies zo. De raad bepaalt de kaders, het coalitieakkoord de grote lijnen. Daarna begint het echte werk: keuzes maken op basis van ambtelijk advies en verantwoordelijkheid nemen.
Een wethouder hoeft geen expert te zijn in alle dossiers. Hij moet strategisch kunnen denken, snappen wat er leeft in de stad, en weten waar hij voor staat. Dat leer je niet op een cursus besturen.
Dat leer je door te doen — en door je in te zetten voor je gemeenschap.
De lange termijn bewaken
Waar ondernemers een vaste directie hebben, wisselt die in gemeenten elke vier jaar. Toch lopen de echte opgaven — wonen, mobiliteit, zorg, werkgelegenheid, energietransitie — dwars door collegeperiodes heen.
Daarom moet een wethouder:
1. werken met langetermijnvisies die niet verdwijnen bij elk nieuw college;
2. de ambtelijke organisatie als geheugen gebruiken, in plaats van als filter;
3. afspraken verankeren in (regionale) samenwerking en wettelijke kaders;
4. niet scoren op korte termijn, maar bouwen aan de toekomst van de stad.
Alleen dan ontstaat bestuurlijke continuïteit.
Maar wat is dan die langetermijnambitie?
Officieel zegt de gemeente Enschede:
“We willen een aantrekkelijke, groene, duurzame en veilige stad zijn.
We streven naar klimaatneutraliteit en een waterrobuuste inrichting in 2050. We willen de leefomgeving verbeteren en de dienstverlening digitaliseren.”
De gemeente Enschede zegt dus:
- aantrekkelijk
- groen
- duurzaam
- veilig
- klimaatneutraal in 2050
- waterrobuust
- betere dienstverlening via digitalisering
Het klinkt mooi.
Maar zodra je het naast de top 5 van inwoners legt — afval, veiligheid, onderhoud, wonen, zorg — zie je hoe groot de kloof is. ambities op systeemniveau botsen frontaal met zorgen op straatniveau.
Immers, hoe concreet zijn die ambities?
- “Aantrekkelijk, groen, duurzaam, veilig.”
Wie is daar tegen? Maar het zegt niets. - Klimaatneutraliteit in 2050.
Voor inwoners: “Mooi hoor, maar mijn probleem is nú.” - Digitalisering.
Terwijl mensen vooral willen dat iemand de telefoon opneemt als er iets misgaat.
Wat mensen wél willen:
- Afval: volle containers en zwerfafval aanpakken
- Veiligheid: minder overlast en meer veiligheid
- Onderhoud: stoepen en straten die niet kapot zijn
- Wonen: betaalbare huizen en minder druk op wijken
- Zorg: kortere wachttijden, minder bureaucratie
Dat zijn geen “toekomstvisies”.
Dat zijn dagelijkse irritaties die om actie vragen.
De essentie van de mismatch
- De gemeente stuurt op 2050, inwoners leven in 2025.
- De gemeente praat over systemen, inwoners over de straat voor hun deur.
- De gemeente denkt in gebiedsvisies, inwoners in zichtbare verbeteringen.
- De gemeente stuurt op klimaat, waterberging en digitalisering, inwoners snakken naar basis op orde.
Het is alsof de gemeente werkt aan een stadsutopie (vanuit het maakbaarheidsdenken), terwijl het fundament afbrokkelt.
Conclusie
Alles bij elkaar is mij één ding glashelder:
de bezem moet erdoor — niet symbolisch, maar werkelijk.
Want wat blijkt al jaren:
- een deel van de ambtelijke top bepaalt de koers;
- informatie wordt achtergehouden;
- aangetekende stukken voor een wethouder verdwijnen in laden;
- B&W faciliteert dit;
- de raad wordt niet tijdig of volledig geïnformeerd;
- politieke antwoorden worden ambtelijk in elkaar gezet;
- WOO-verzoeken worden getraineerd en vervolgens half zwartgelakt.
Dat mag nooit normaal worden.
Geef een reactie