Wat de geweldige Ebru Umar hier doet, is méér dan een column schrijven over een talentloze mediaklant. Ze legt een systeem bloot. Een systeem van schijn, vriendjespolitiek en selectief moreel opportunisme. Özcan Akyol — of “de mompelaar uit Deventer” zoals zij hem noemt — is daarin slechts een symptoom, een product van een mediacultuur waarin je carrière vooral afhangt van je bereidheid tot kwispelen.

Ebru’s woorden snijden diep – als gast op de campagne kick-off was ze ook geweldig – omdat ze de vinger legt op iets wat velen allang voelen: we worden geregeerd, bestuurd en gevormd door schoothondjes. Niet alleen in Hilversum, maar ook in de bestuurskamers en overheidsinstellingen. Mensen zonder ruggengraat, zonder visie, zonder talent — maar met de juiste connecties en het juiste deug-masker. Schoothondjes die zich likkend omhoog werken tot ze directeur, bestuurder of ‘moreel leider’ worden.

De “Turkse hond” uit haar column is dan ook geen op zichzelf staand figuur, maar symbool voor een generatie meelopers. Mensen die niets toevoegen, behalve hun beschikbaarheid om gebruikt te worden. Umar laat zien hoe diep het verval is: we zijn beland in een land waar inhoud ondergeschikt is aan identiteit, en waar kritiek wordt afgedaan als “slecht voor het klimaat”.

De echte tragiek? Niet dat er een Akyol bestaat. Maar dat hij een carrière kán hebben, enkel omdat hij bruikbaar is binnen het kartel van mediavriendjes. Zijn aanwezigheid bevestigt de zelfgenoegzaamheid van mensen die ooit dachten dat ze nog journalistiek of cultuur bedreven. Het is een spiegel die Umar ons voorhoudt, en ze doet dat zonder vaseline.

En dat is precies waarom we haar zo hard nodig hebben.